"Op de vierkante meter" is een rubriek die maandelijks verschijnt in de uitgave Boekeloos

In de omgeving van

Boekelo

Deel 28

Paardenbloem

Waarom een stukje over een ‘gewone’ paardenbloem? Nou, zo gewoon is zo’n zonnetje op een steeltje niet, al zien ’s zomers bermen en weilanden er vaak geel van. Zelfs tijdens grauwe wintermaanden fleurt hij  hier en daar onze omgeving op. Maar op sombere dagen blijven de bloemhoofdjes dicht.

Dat veel mensen de paardenbloem weten te waarderen blijkt wel uit het feit, dat hij verleden jaar in ons land bij de verkiezing van de Nationale bloem een eervolle tweede plaats behaalde, achter het madeliefje. Erg nationaal is deze bloem niet, want hij komt wereldwijd voor. Er bestaat ook niet één soort paardenbloem. In Nederland komen naar schatting al meer dan 1000 soorten voor.

Na de bloei veranderen de bloemhoofdjes in pluizenbollen, die zaadjes bevatten en door de wind worden verspreid, om op een andere plek weer uit te groeien. Niet iedereen met een smetteloos groen gazon is daar blij mee en probeert door het uitsteken van de lange penwortels ‘de schade te beperken’. Toch zijn er steeds meer tuin- en natuurliefhebbers die deze bloemen laten staan, omdat bloeiende paardenbloemen heel belangrijk zijn voor vlinders, bijen en andere insecten als bron van nectar en stuifmeel. Leve de biodiversiteit!

Konijnen en cavia’s lusten graag ‘molsla’, de vers geplukte bladeren van de paardenbloem. Vroeger – en inmiddels weer steeds vaker – werd molsla ook door mensen gegeten. Vooral de jonge blaadjes, die malser en minder bitter zijn dan wat oudere bladeren. Koeien, schapen en geiten laten in de wei paardenbloemen niet staan. En paarden? Niet voor niets werd deze bloem zo genoemd!

Op de laatste zondag van april wordt al een aantal jaren de Dag van de Paardenbloem georganiseerd.

Deel 27

Boshyacint

Als het lente wordt in het Teesinkbos is het mogelijk dat je daar de blauwe bloemetjes van boshyacint ziet. Want deze bolbloemen houden van een standplaats onder loofbomen, met een voorkeur voor eiken en beuken. Ze groeien prima in de schaduw en staan liever niet in de volle zon. 

Duizenden jaren geleden gebruikte men het sap uit de ondergrondse bollen van wilde hyacinten als kleefmiddel, om pijlpunten mee vast te maken. We weten dit, omdat deze natuurlijm op archeologische vindplaatsen is aangetroffen.

De naam hyacint komt uit de Griekse mythologie. Hyacinthus was een Spartaanse prins en een halfgod. Hij werd aanbeden door de god Apollo. Volgens de overlevering werd Hyacinthus tijdens een wedstrijd discuswerpen dodelijk geraakt. Apollo schiep uit het bloed van Hyacinthus een bloem: de hyacint. 

Omdat de bloemkelkjes altijd “treurig” naar de grond gekeerd hangen, werd de hyacint vroeger nogal eens afgebeeld op grafzerken.

Deel 26

Hommelkoningin

In de vroege lente kom je haar traag en laag vliegend tegen in de natuur: de hommelkoningin. Dat is een bevrucht vrouwtje van deze wilde bijensoort. Na een lange winterslaap komt ze tijdens de eerste zonnige dagen tevoorschijn. Ze gaat nu eerst  op zoek naar nectar en stuifmeel van vroegbloeiende planten. Daarna zoekt ze een plekje om haar eitjes in te leggen. Dat kan in de grond zijn, bijvoorbeeld in een oud muizenholletje, of in een holle boom. Op een bedje van stuifmeel legt ze dan haar eitjes, waarop ze gaat broeden. Tijdens dat broeden leeft ze van de honing, die ze van tevoren in haar holletje had opgeslagen. Uit die eitjes zullen de eerste werksters komen, die voedsel gaan zoeken voor de hele hommelkolonie die vanaf dat moment ontstaat. De koningin hoeft zich alleen maar bezig te houden met het leggen van nóg meer eitjes. Na een paar maanden zit haar taak erop. Want dan zijn inmiddels niet meer alleen werksters uit de eitjes gekomen, maar ook mannetjes en nieuwe koninginnen. Die gaan paren, waarna de mannetjes sterven. Ook de rest van de kolonie sterft, inclusief de oude koningin. Alleen de nieuwe bevruchte koninginnen overleven en gaan in winterslaap. Om op hun beurt in het volgende voorjaar weer tevoorschijn te komen.

Deel 25

Hazelaar

De feestelijk gele pluizige katjes van de hazelaars zijn in het begin van het jaar niet te missen. In de tijd dat de bomen nog kaal zijn, vrolijken zij de omgeving op. De eerste bloeiwaarnemingen kunnen zelfs al voor de jaarwisseling liggen, anderhalve maand vroeger dan 50 jaar geleden. 

Toch zal niet iedereen daar blij mee zijn, want sommige mensen zijn allergisch voor de miljarden stuifmeelkorrels die de – mannelijke – katjes door de lucht laten zweven.

Vrouwelijke bloemen van hazelaars vallen niet op. Ze zitten aan dezelfde struik als hun mannelijke collega’s, want hazelaars zijn eenhuizig. Maar je moet een tak van dichtbij bekijken om te zien, dat boven de gele katjes kleine rozerode bloemen zitten. Zij wachten op een aanwaaiende stuifmeelkorrel, want de hazelaar is een windbestuiver. Voor de bevruchting zijn geen insecten nodig. En dus ook geen grote opvallende bloemen om die insecten te lokken. Het resultaat is te zien vanaf de maand augustus, wanneer je hazelnoten kunt oogsten.

Deel 24

Hulst

In de decembermaand zijn in bloemenwinkels en op kerstmarkten de rode bessen en groene blaadjes van hulst niet te missen. Maar buiten zijn dan de meeste bessen al door vogels opgegeten. Voor die tijd was te zien, dat sommige hulstbomen en -struiken vol zaten met rode bessen, terwijl andere helemaal geen bessen hadden.

Dat komt omdat je hulstplanten hebt die alleen mannelijke bloemen hebben en andere uitsluitend vrouwelijke. Dat noem je ‘tweehuizig’. Mannelijke bloemetjes vallen af, nadat ze hun stuifmeel hebben verspreid. Alleen vrouwelijke bloemen vormen uiteindelijk bessen. 

Aan eenzelfde hulststruik zijn meestal verschillende soorten bladeren te zien, typisch stekelige en exemplaren met gladde randen. Onderzoek zou aantonen dat er een relatie bestaat tussen begrazing en de stekeligheid van de bladeren. Want tot op de hoogte waarop een hert, geit of rund eet – tot een meter  of twee – zijn hulstbladeren vaak stekeliger dan daar boven.

Het zijn niet alleen grote planteneters die het voorzien hebben op het glanzende, dikke blad van hulst. Hulstvliegen trekken zich niets aan van de stekelige bladeren. In mei leggen vrouwtjes er hun eitjes op. De larven die daaruit komen maken vervolgens tunneltjes en blazen in het blad, door het bladmoes op te eten. Aangetaste bladeren zijn niet nadelig voor de groei van de hulst. Die plant verliest elk jaar sowieso een deel van zijn bladeren. Maar het ziet er niet fraai uit. Zulke takken wil niemand in zijn kerststukje.

Deel 23

Vleermuiskasten

Staat daar nou een nieuwe flitspaal? Eind 2024  werden automobilisten opgeschrikt bij de kruising van de Boekelose straat en de Landsteinerlaan. Het bleek een van de speciale nestkasten voor vleermuizen te zijn, die door de gemeente Enschede op verschillende plekken in de stad zijn geplaatst.  Overigens verhuisde deze paal tijdens de renovatie van de straat naar de overkant van de weg, waar hij minder in het oog valt. In de loop van dit jaar werden er nog twee neergezet in het parkje achter de tennisbaan.

Vorig jaar heeft het bedrijf NatuurInclusief in en om Enschede onderzoek naar vleermuizen gedaan. Vooral de gewone dwergvleermuis komt hier veel voor. Die kleine beestjes kunnen met gemak honderden insecten per nacht oppeuzelen. Dat scheelt ons ‘s zomers nogal wat muggenbulten!

Maar vleermuizen hebben het de laatste jaren moeilijk door de verduurzaming van onze huizen, zoals spouwmuurisolatie. Omdat ze zelf geen nesten kunnen bouwen zoeken ze plekken in bomen, huizen of andere gebouwen. Ze hebben aan spleten van 2,5 bij 1 centimeter genoeg om ergens binnen te komen, onder daken, in kelders of in spouwmuren. Daar ‘hangen’ ze dan als het buiten licht is, soms in een groepje – een kolonie – bij elkaar. Ze zijn alleen actief in de lente en de zomer en gaan daarna in winterslaap. Overdag slapen ze en ’s nachts vliegen ze rond om insecten te vangen. Hun aantal groeit niet snel, want vleermuizen zijn zoogdieren en vrouwtjes krijgen maximaal een jong per jaar.

Overlast door vleermuizen komt zelden voor. Ze zijn erg schuw. Maar als je toch bent gebeten of gekrabd door een vleermuis moet je voorzichtig zijn: was dat wondje direct uit met water en zeep en bel je huisarts. Want een vleermuis kan besmet zijn met rabiës (hondsdolheid). In Nederland komt die ziekte gelukkig zeer zelden voor en alleen bij bepaalde vleermuissoorten, met name door de laatvlieger en de meervleermuis (bron: RIVM).

Zie je ergens een dode vleermuis liggen? Raak die nooit zomaar aan. Je kunt het melden bij het Klantcontactcentrum van de gemeente Enschede via het telefoonnummer 14 053.

Deel 22

Hop

Zeker in een dorp als Boekelo met een brouwerij naast de deur,  zal iedereen hop kennen. In Nederland en in het grootste deel van Europa komt de plant in het wild voor, maar door het gebruik voor bier is hop wereldwijd verspreid geraakt.  Het is niet alleen een smaakmaker, maar het zorgt er ook voor dat bier langer bewaard kan worden.  Hop wordt al sinds de veertiende eeuw gebruikt. 

Dit jaar groeiden en bloeiden hopplanten in onze omgeving uitbundig. Hekwerken en bomen worden nu versierd met wolken van hopbellen. Dat zijn de vruchtkegels van de plant die lupiline bevatten, kleine gele korreltjes die bij de bierproductie worden gebruikt. 

Een hopplant kan wel tien centimeter per dag groeien, en klimmen tot een hoogte van zeven meter. Maar zonder steuntje kan de plant niet omhoog komen. De ranken staan vol korte stijve haren, die handig zijn bij het klimmen. Want ze zijn zo gericht dat een rank soepel omhoog glijdt, maar bij het terugzakken maximaal weerstand biedt. Hop kan bovengronds afsterven bij teveel zon, kou of schaduw en later weer opgroeien uit knoppen die iets onder de grond of op de grond zitten als de omstandigheden beter zijn.

Niet elke hopplant is geschikt voor bier. In Nederland wordt geen voor bier geschikte hop meer gekweekt. De lekkerste rassen komen nu uit het buitenland.

Deel 21

Mestkevers

Op zanderige plekken in het bos zijn soms gaatjes in de bodem te zien. Die zijn meestal niet door nordic walkers gemaakt, maar vaak door mestkevers. Die gaatjes vormen de toegang tot een complex van nestkamers, dat door pa en ma mestkever samen is uitgegraven. Ieder kamertje wordt door hen voorzien van een voorraad mest, waarin ma één enkel ei legt. Daaruit groeit een witte larve, die het eigen gewicht aan mest eet per dag. Tegen het eind van de zomer verpopt de larve zich tot een kever, maar die komt pas het volgende voorjaar naar boven. Zijn ouders zijn inmiddels al lang verdwenen, want nadat de tunnels klaar en de eitjes gelegd waren, gingen zij weer ieder hun eigen weg.  

Er bestaan allerlei soorten mestkevers. Maar de meest voorkomende in onze omgeving is de gewone of paardenmestkever. Deze kever heeft een bol achterlijf en is zwart en glanzend. De maximale lengte is ongeveer 25 millimeter maar meestal zijn ze kleiner. De gewone mestkever leeft in bossen, hooilanden en heidevelden, waar met de stevige poten mestballen worden gevormd uit mesthopen (vlaaien) voor zowel eigen consumptie als voor de larven. 

Hoewel ze hun naam niet mee hebben, zijn mestkevers nuttige insecten. Zij spelen namelijk een belangrijke rol in de humusvorming en ze ruimen afval op. Doorgaans wordt er meer mest begraven dan opgegeten, waardoor de terugkeer van voedingsstoffen in de bodem wordt bevorderd.

Deel 20

Vlier

De meeste Twentenaren weten vast wel waar mondstukken van mindwinterhoorns van gemaakt worden.  Namelijk van oude holle takken van vlierstruiken. Want jonge takken bevatten veel merg, maar dat verdwijnt in de loop der tijd.

Vlierstruiken doen het al eeuwenlang goed in onze omgeving. In het voorjaar vallen de grote witte bloeischermen op en in het najaar de zwarte bessen. Sinds mensenheugenis worden deze bloemen en bessen gebruikt in spijs, drank en middeltjes tegen allerlei kwalen.

In het Duits heet de vlier onder meer ‘Holunder’, wat naar ‘Holda’ of ‘Frau Holle’ zou verwijzen. Ook in ons land kende men de vlier wel onder de naam ‘holderboom’. Vrouw Holle werd als godin die beschikte over leven en dood ook wel ‘Vliermoeder’ genoemd. Zij zou pasgeboren kinderen beschermen, maar als zij toch stierven, was zij het die hen meenam naar de onderwereld. Men plantte vlier bij graven en de maat van een doodskist werd opgemeten met een meetlat van vlierhout. Ook hanteerden koetsiers van lijkwagens een zweep, gemaakt van hetzelfde hout.

De magische krachten die aan vlier werden toegeschreven, maakten het hout ook geschikt voor het vervaardigen van toverstokken. Zo is de machtige toverstaf van professor Dumbledore (Perkamentus) in de Harry Potter boeken gemaakt van vlierhout. De naam van die toverstok is in het Nederlands vertaald als ‘Zegevlier’.

Deel 24

Hazelaar

Deel 9

Koekoek

Op het moment dat we in onze omgeving in het voorjaar voor het eerst een koekoek horen, zullen we ons niet realiseren dat deze vogel zojuist een paar duizend (!) kilometer vliegen achter de rug heeft. Koekoeken overwinteren namelijk in tropische gebieden in Afrika, zoals in Congo en Angola. Eind maart of begin april steken ze de Sahara woestijn over en vliegen ze naar het noorden. We weten dat, omdat een aantal vogels van een zendertje werd voorzien, waardoor hun vliegtocht precies gevolgd kon worden. Vrouwtjes maken overigens niet het kenmerkende koekoek-geluid, dat doen alleen mannetjes.

Zou de vermoeidheid na die lange reis de reden zijn, dat koekoeken zelf geen nest bouwen? Hoe dan ook, een vrouwtjeskoek zoekt hier een nest van een andere vogel op om haar eigen eieren in te leggen. Ze specialiseert zich daarbij op een bepaalde vogelsoort, een zogenaamde waardvogel. Zo zijn er ‘heggenmus-koekoeken’ en ‘karekiet-koekoeken’. De koekoek wacht met het leggen van haar ei, totdat de uitgekozen waardvogels begonnen zijn met het leggen van hun eigen eieren.

Als een vrouwtje een geschikt nest heeft gevonden, wordt het ei binnen enkele seconden gelegd. Doordat ze haar eileider vanuit haar lichaam naar buiten toe kan verlengen, kan ze het ei zelfs in een kleine opening, zoals die van het nest van een winterkoning leggen. Ongeveer twaalf dagen daarna komt de jonge koekoek uit het ei.

Bekender, maar daarom niet minder gruwelijk, is het gedrag van die nieuwe koekoek: Nog maar enkele uren oud duikt hij onder de andere in het nest liggende eieren en jonge vogels, die hij over de restrand duwt. Net zo lang tot hij de enige bewoner van het nest is. Als ‘enig kind’ wordt hij vervolgens door zijn onvrijwillige en onwetende ‘pleegouders’ van voedsel voorzien. De jonge koekoek wordt vaak aanzienlijk groter dan zij zelf. Nadat hij na een dag of twintig het nest verlaat, wordt hij door hen nog een tijdje gevoerd.

Je kunt een jonge, pas uitgevlogen, koekoek bedelend op een paaltje aantreffen. Om vervolgens de veel kleinere waardouder te zien landen op de rug van het jonge dier om het te voeren. Bedenk daarbij dat een volwassen koekoek zo groot wordt als een duif!

Tenslotte het oude rijmpje:

“In mei leggen alle vogels een ei

behalve de koekoek en de griet….”

Dat gezegde klopt dus niet!

Deel 4

Een atalanta in de winter?

Het is best bijzonder om in onze omgeving in de winter een atalanta vlinder tegen te komen. Want zijn meeste soortgenoten zijn al in de herfst vertrokken naar het Middellandse zeegebied. Het zijn namelijk trekvlinders, die net zoals trekvogels dat doen, ieder najaar naar het warme zuiden vliegen. Onvoorstelbaar dat ook deze mooie grote vlinders zulke grote afstanden kunnen afleggen! Met als verschil met trekvogels, dat atalanta’s alleen enkele reizen maken: ze planten zich in Zuid-Europa voort en sterven daarna. Hun nakomelingen komen dan weer in het voorjaar onze kant op. Maar het blijkt dat atalanta’s door de klimaatverandering aan het veranderen zijn van trekvlinders tot overwinteraars.

De meeste andere vlindersoorten overwinteren hier als ei, rups of pop. Maar dagvlinders, zoals de citroenvlinder en de gehakkelde aurelia, houden een winterslaap op beschutte plekken in de tuin of in de natuur. Zij kunnen prima tegen de kou en kunnen zelfs een flinke vorstperiode doorstaan. Dagpauwogen en kleine vossen brengen de winter vaak slapend door in stapels open haardhout, in schuurtjes en zelfs binnenshuis, bijvoorbeeld op onverwarmde zolders.

Een atalanta die je hier aantreft tijdens de wintermaanden heeft kennelijk niet voor een lange vliegreis gekozen,  maar probeert hier op een beschutte plek te overleven.  Atalanta’s houden namelijk géén winterslaap. Het is dus mogelijk dat je op een zonnige winterdag buiten een atalanta aantreft die even lekker zit op te warmen.

Bij ons thuis kwam er ooit een tevoorschijn uit het ongebruikte rookkanaal van de open haard, tijdens een condoleancebijeenkomst in december. Zo’n mooie vlinder, op zo’n bijzonder moment: Was het een laatste groet uit het hiernamaals? Je zou er haast bijgelovig van worden…..